
5.1 Inleiding
Een pensioenfonds kent verplichtingen (de (toekomstige) pensioenuitkeringen) en bezittingen (de beleggingen van het fonds). Het afstemmen van de beleggingen op de verplichtingen van een pensioenfonds heet balansmanagement. In dit hoofdstuk staat hoe de verplichtingen en de beleggingen zijn samengesteld, hoe de ontwikkeling ervan verliep en hoe in 2024 de afstemming plaatsvond. Om de beoogde pensioenuitkeringen op korte en lange termijn veilig te stellen beleggen wij de toevertrouwde middelen op een verantwoorde en solide wijze. In lijn hiermee is de hoofddoelstelling van het beleggingsbeleid: ‘het behalen van optimaal rendement op de beleggingen ten gunste van (ex-) deelnemers en pensioengerechtigden, tegen acceptabele risico’s.’
Om deze doelstelling te realiseren, voeren wij een gecombineerd beleid, waarbij enerzijds een deel van de portefeuille is ingericht om de risico’s ten opzichte van de rentemutaties in de verplichtingen te beperken (matchingportefeuille) en anderzijds een deel van de portefeuille is ingericht om het rendement van de beleggingsportefeuille te optimaliseren (returnportefeuille).
5.2 Verplichtingen uitgangspunt bij technische voorzieningen
De verplichtingen van een pensioenfonds bestaan uit de pensioenuitkeringen die het fonds in de toekomst moet uitkeren aan (ex-) deelnemers en pensioengerechtigden. Daartoe houden wij een voorziening aan die wordt gewaardeerd op basis van de wettelijk verplichte actuariële grondslagen. Deze voorziening, in de jaarrekening aangeduid als technische voorzieningen, wijzigt door veranderingen in het deelnemersbestand, de marktrente en wijziging van de actuariële veronderstellingen.
5.3 Ontwikkeling technische voorzieningen
De technische voorzieningen bestaan uit een voorziening pensioenverplichtingen voor rekening en risico van het pensioenfonds en de voorziening die is ondergebracht bij een verzekeraar met een garantiecontract. De technische voorzieningen laten een stijging zien in 2024, wat grotendeels is veroorzaakt door de gedaalde marktrente.
De totale technische voorzieningen zijn als volgt opgebouwd (bedragen x € 1.000):
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Aanspraken voor risico van het fonds | 2.783.121 | 2.652.526 |
| Herverzekerde aanspraken voor rekening van het fonds | 46.426 | 38.785 |
| Totaal | 2.829.547 | 2.691.311 |
In de volgende tabel is de ontwikkeling van de voorziening pensioenverplichtingen voor rekening en risico van het fonds opgenomen (bedragen x € 1.000).
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Stand per 1 januari | 2.652.526 | 2.375.020 |
| Toevoegingen: | ||
| Aanspraken en risicopremies | 79.126 | 58.699 |
| Overgenomen pensioenverplichtingen | 3.061 | 4.665 |
| Toeslagverlening | 12.012 | 133.116 |
| Wijziging actuariële grondslagen of methoden | -6.616 | 25.135 |
| Onttrekkingen: | ||
| Uitkeringen | -89.350 | -84.243 |
| Overgedragen pensioenverplichtingen | -7.035 | -9.505 |
| Vrijval van kosten | -1.972 | -1.856 |
| Mutatie marktrente en interesttoevoeging | 146.419 | -151.202 |
| Resultaat op kanssystemen, correcties en overige resultaten | -5.050 | 293 |
| Stand per 31 december | 2.783.121 | 2.652.526 |
Toeslagambitie
We hebben de ambitie om de pensioenen waardevast te houden door verhoging van de (opgebouwde) pensioenen. Op basis van de financiële situatie eind 2024 was het verhogen van de pensioenen verantwoord. Per 1 januari 2025 zijn de pensioenen dan ook verhoogd met 0,44%. Deze verhoging geldt voor al het opgebouwde pensioen, partnerpensioen en wezenpensioen van alle (ex-)deelnemers en gepensioneerden. De verhoging geldt ook voor het arbeidsongeschiktheidspensioen van deelnemers die vóór 1 januari 2014 arbeidsongeschikt zijn geworden.
De verhoging was mogelijk door de gestegen (beleids)dekkingsgraad. Voor deze verhoging is ons toeslagenbeleid gevolgd.
5.4 Resultaat naar actuariële component
Ons resultaat kan worden geanalyseerd naar actuariële oorzaken. Hieronder een overzicht van het resultaat, uitgesplitst naar diverse componenten (bedragen x € 1.000).
Resultaat op beleggingen
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op beleggingsopbrengsten en interest | ||
| Beleggingsopbrengsten | 228.091 | 296.046 |
| Benodigde interesttoevoeging verplichtingen | -90.034 | -76.120 |
| Mutatie marktrente verplichtingen | -56.385 | -75.082 |
| 81.672 | 144.844 |
De beleggingsopbrengsten zijn gelijk aan de in de jaarrekening verantwoorde opbrengsten. De mutatie van de verplichtingen door de interesttoevoeging aan de verplichtingen en de mutatie van de marktrente die voor de berekening van de verplichtingen is voorgeschreven, worden gefinancierd uit de beleggingsopbrengsten.
Bij de vaststelling van de actuarieel benodigde interest voor 2024 is de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur gehanteerd. Dit resulteerde in een stijging van de technische voorziening van € 56.385. De benodigde interest bedroeg € 90.034, wat leidt tot een stijging van de technische voorziening.
Resultaat op premie
Wij hanteren een premiesystematiek waarbij demping wordt toegepast (gedempte premie). Het Financieel Toetsingskader biedt deze mogelijkheid. Demping geeft een stabielere pensioenpremie over een periode van telkens vijf jaar. De periode van premiedemping, die in 2024 van toepassing is, is ingegaan in 2021. Voor de premievaststelling 2024 is uitgegaan van de nieuwe verwachting van de commissie parameters. Hierbij mocht éénmalig ook de rente opnieuw worden vastgesteld.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op premie | ||
| Feitelijke premie | 95.283 | 86.966 |
| Actuarieel benodigde premie | -85.994 | -67.971 |
| 9.289 | 18.995 |
De actuarieel benodigde premie is gelijk aan de actuarieel benodigde koopsom voor pensioenopbouw en risicodekking € 80.849, verhoogd met de opslag voor uitvoeringskosten € 5.145.
Deze premieopsplitsing, verhoogd met het VEV, is ook opgenomen in de tabel bij de realisatie van de kostendekkende premie. Hierbij zijn de gerealiseerde kosten van € 6.023 opgenomen. Het verschil met de opslag voor uitvoeringskosten in de premie van € 5.145 is opgenomen onder het resultaat op kosten en bedraagt € 878.
De totale pensioenlasten bestaan uit de kosten van de pensioenopbouw, risicopremies, de actuarieel benodigde rente en een opslag voor de uitvoeringskosten. De jaarlijkse pensioenpremie wordt vooraf vastgesteld. Voor de pensioenopbouw in het verslagjaar wordt jaarlijks vooraf een actuarieel benodigde premie berekend. Het verschil tussen de actuarieel benodigde premie en de feitelijke premie vormt het resultaat op de premie. Dit resultaat is beschikbaar voor het bereiken of in stand houden van het vereist eigen vermogen. Het resultaat is positief en dit betekent dat de pensioenpremie voldoende is om op basis van de huidige rentestand de pensioenopbouw volledig te financieren.
Voor toeslagverlening wordt geen premie in rekening gebracht, financiering van toeslagen vindt plaats vanuit het vermogen van het fonds.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Kostendekkende premie | 99.254 | 77.617 |
| Gedempte premie | 88.809 | 89.421 |
| Feitelijke premie | 95.283 | 86.966 |
| De kostendekkende premie is als volgt opgebouwd: | ||
| 2024 | 2023 | |
| Actuarieel benodigde koopsom voor pensioenopbouw en risicodekking | 80.849 | 63.223 |
| Opslag voor uitvoeringskosten | 6.023 | 4.876 |
| Opslag voor vereist eigen vermogen bij deze pensioenopbouw | 12.382 | 9.518 |
| Kostendekkende premie | 99.254 | 77.617 |
De opslag voor uitvoeringskosten bestaat uit een opslag voor toekomstige kosten van € 1.585 die opgenomen wordt in de voorziening en de gerealiseerde kosten van € 4.438.
Door premiedemping kan er in een bepaald jaar meer of minder premie binnenkomen dan nodig is voor de feitelijke pensioenopbouw in het betreffende jaar. Dit wordt uitgedrukt in de premiedekkingsgraad. Bij de bepaling van de premiedekkingsgraad wordt de feitelijk ontvangen premie (verminderd met de premie die is ontvangen voor herverzekering en uitvoeringskosten) afgezet tegen de actuarieel benodigde premie.
In onderstaande tabel wordt weergegeven hoe de premiedekkingsgraad wordt berekend:
| Premiedekkingsgraad | 2024 | 2023 |
|---|---|---|
| A. Feitelijk ontvangen premie | 95.283 | 86.966 |
| B. Premie benodigd voor verzekeringscontract | 3.308 | 5.697 |
| C. Uitvoeringskosten | 4.433 | 3.703 |
| D. Beschikbare premie voor inkoop risico fonds (A-B-C) | 87.542 | 77.566 |
| E. Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijk inkoop risico fonds | 79.126 | 58.699 |
| Premiedekkingsgraad (D / E) | 111% | 132% |
Een premiedekkingsgraad hoger dan de dekkingsgraad begin van het jaar heeft een positief effect op onze dekkingsgraad. De actuariële premie onder E. is gelijk aan de actuarieel benodigde koopsom van € 80.849 zonder de herverzekeringspremie van € 3.308 en inclusief de opslag voor toekomstige kosten van € 1.585 die opgenomen wordt in de voorziening.
De gedempte premie bedraagt in 2024 € 88.809 De ontvangen feitelijke premie bedraagt € 95.283 en is dus hoger dan de gedempte premie bij de realisatie van de toetsing over het boekjaar. De toereikendheid van de feitelijk premie toetsen wij vooraf bij de vaststelling van de premiepercentages. Hierbij was de verwachte gedempte premie € 83.712 en de verwachte feitelijke premie € 91.649 beiden exclusief de premie voor het verzekeringscontract. De verwachte feitelijke premie was daarmee hoger dan de minimaal te ontvangen premiebijdrage (gedempte premie). Voor de gedempte premievaststelling voor 2024 moesten de nieuwe parameters worden gebruikt die door de commissie parameters zijn vastgesteld. Daarbij heeft de wetgever éénmalig de mogelijkheid gegeven om de rente voor de vastrentende waarden ook opnieuw vast te stellen. De financiële ruimte die ontstond door deze éénmalige aanpassing van de rente in de gedempte premie, mocht niet gebruikt worden voor een premieverlaging. Daarom is een feitelijke premie vastgesteld die hoger is dan de gedempte premie. Daarnaast liep de oorspronkelijke premiedempingsperiode met een lagere rente en een hogere premie nog door. De verschillen met de realisatie worden veroorzaakt door de timing van de realisatie ten opzichte van de verwachting en de ontwikkeling van de kosten.
Resultaat op kosten
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op kosten | ||
| Beschikbaar uit premie en voorziening | 7.117 | 6.604 |
| Aanwending uitvoeringskosten | -7.995 | -6.732 |
| -878 | -128 |
In de pensioenpremie is een opslag opgenomen om de kosten voor de uitvoering van de pensioenregeling te dekken (€ 5.145). De voorziening pensioenverplichtingen kent daarnaast een opslag voor uitvoering van 2,2%. Deze komt beschikbaar bij het uitkeren van pensioenen (€ 1.972). De aanwending uitvoeringskosten betreft de dotatie aan de kostenvoorziening als onderdeel van de technische voorziening (€ 1.585) en de in de jaarrekening verantwoorde kosten (€ 6.410). In dit laatste onderdeel zijn de vermogensbeheerkosten en de aan vermogensbeheer doorbelaste kosten niet inbegrepen. Die worden ten laste van de beleggingsopbrengsten gebracht.
Het verloop van de kostenvoorziening, die onderdeel uitmaakt van de technische voorzieningen, is in onderstaande tabel inzichtelijk gemaakt.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Stand per 1 januari | 56.932 | 50.979 |
| Toevoeging vanuit opslag op premie | 1.585 | 1.173 |
| Vrijval vanwege pensioenuitkeringen | -1.972 | -1.856 |
| Overige mutaties | 3.226 | 6.636 |
| Stand per 31 december | 59.771 | 56.932 |
Onder overige mutaties valt onder andere het effect van het meebewegen van deze voorziening met de fluctuatie van de rentetermijnstructuur.
Resultaat op kanssystemen
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op leven | ||
| Werkelijke vrijval en beschikbaar uit premie | 45.316 | 37.997 |
| Verwachte vrijval en benodigd vanwege overlijden | -40.867 | -38.936 |
| 4.449 | -939 |
Bij de financiering van de pensioenregeling wordt uitgegaan van de gemiddelde levensverwachting in Nederland en rekening gehouden met de specifieke levensverwachting van de beroepsgroep. Doordat het werkelijke overlijden van deelnemers en pensioengerechtigden afwijkt van deze verwachting, ontstaat een resultaat op leven. In 2024 was er sprake van een resultaat op leven van € -4.449 (2023: -€ 939). De toename van dit resultaat wordt verklaard doordat in 2024 meer (ex-) deelnemers en pensioengerechtigden zijn overleden dan verwacht wat leidt tot een langleven resultaat van € 2.522 (2023: € 549). Daarnaast zijn er minder uitkeringen voor partnerpensioen ingegaan dan verwacht wat leidt tot een kortleven resultaat van € 1.927 (2023: -€ 1.488).
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op arbeidsongeschiktheid | ||
| Beschikbaar uit risicokoopsom | 3.833 | 2.868 |
| Benodigde toevoeging zieke deelnemers (IBNR) | 1.311 | 52 |
| Mutatie in arbeidsongeschiktheid | -3.151 | -1.659 |
| 1.993 | 1.261 |
In de pensioenpremie is een opslag inbegrepen voor de kosten van het verlenen van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Daartegenover staat de toevoeging aan de technische voorzieningen om dit onderdeel in de toekomst te kunnen financieren. Het resultaat op arbeidsongeschiktheid geeft aan in hoeverre de hiervoor bestemde middelen de kosten dekken. Dit resultaat was in 2024 € 1.993 (2023: € 1.261). De toename van het resultaat wordt met name veroorzaakt door de lagere benodigde IBNR. Het resultaat op arbeidsongeschiktheid heeft betrekking op de in eigen beheer gehouden premievrije opbouw bij arbeidsongeschiktheid. De verzekering van het arbeidsongeschiktheidspensioen (en het daarin besloten arbeidsongeschiktheidsrisico) is ondergebracht bij een herverzekeraar.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Overige resultaten | ||
| Resultaat op uitkeringen | 15 | -15 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | 1.247 | 764 |
| Actuarieel resultaat op mutaties | -1.392 | -615 |
| Toeslagverlening | -12.012 | -133.116 |
| Aanpassing actuariële grondslagen | 5.037 | -20.464 |
| Overige en correcties | -213 | -4.256 |
| -7.318 | -157.702 |
Het resultaat op uitkeringen (€ 15) geeft aan in hoeverre de werkelijke uitkeringen afwijken van het verwachte uitkeringenpatroon.
Het resultaat op waardeoverdrachten (-/- € 1.247) wordt veroorzaakt door een afwijking tussen de grondslagen (rente en sterftekansen) van de wettelijke rekenregels die van toepassing zijn bij waardeoverdrachten en de actuariële grondslagen die wij zelf moeten hanteren. Omdat de rente voor de wettelijke rekenregels per 30 september wordt bepaald en de rente in het laatste kwartaal sterk gedaald is zijn de resultaten in 2024 groter dan voorgaande jaren. Omdat het aantal uitgaande waardeoverdrachten groter is leidt dit tot een positief resultaat.
Het actuarieel resultaat op mutaties (-/- € 1.392) betreft resultaten die worden veroorzaakt door de actuariële effecten van een hoog/laag-pensioen en pensioenuitstel en terugwerkende kracht mutaties. In 2024 is door het ongedaan maken van de verlaging van partnerpensioen als gevolg van een groot leeftijdsverschil een éénmalige resultaat van -€ 951.
De per 1 januari 2025 toegepaste verhoging bedraagt 0,44%. Deze verhoging wordt ten laste van het behaalde resultaat over 2024 gebracht. Hierdoor bedraagt het resultaat over 2024 in verband met toeslagverlening -/- € 12.021.
In 2024 is de prognosetafel AG2024 gepubliceerd en verwerkt in de voorziening. Het effect van deze aanpassing op de voorziening is hier opgenomen. Hierdoor bedraagt het resultaat over 2024 in verband met aanpassing van de actuariële grondslagen € 5.037.
Onder overige en correcties is het effect opgenomen van de reglementswijziging die per 1 januari 2025 is doorgevoerd. De lagere toekomstige pensioenopbouw heeft effect op de voorziening voor premievrije opbouw en de voorziening IBNR. Deze worden verlaagd wat een resultaat veroorzaakt van €-/- 1.579. Verder zijn hieronder de kosten voor de indexatiekoopsom van de herverzekerde arbeidsongeschiktheidspensioenen verantwoord van 2,2 mln. Tevens zijn de overige baten en lasten hier verantwoord.
Het resultaat van alle bovengenoemde componenten leidt tot het volgende totaal resultaat:
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Resultaat op beleggingen | 81.672 | 144.844 |
| Resultaat op premie | 9.289 | 18.995 |
| Resultaat op kosten | -878 | -128 |
| Resultaat op kanssystemen | 6.442 | 322 |
| Resultaat op overige mutaties | -7.318 | -157.702 |
| Totaal resultaat | 89.207 | 6.331 |
Beleggingen
5.5 Strategische beleggingsmix
Onze strategische beleggingsportefeuille bestaat uit een matchingportefeuille en een returnportefeuille. De matchingportefeuille is bedoeld voor het beheersen van het renterisico van de pensioenverplichtingen. Uit de returnportefeuille moet het extra rendement voor de benodigde stijging van de dekkingsgraad komen.
Om de pensioenuitkeringen op korte en lange termijn veilig te stellen, worden de ingelegde premies op een verantwoorde en solide wijze belegd. Voor de vaststelling van het beleggingsbeleid is eind 2024 een ALM-studie uitgevoerd. De ALM studie stond ditmaal in het teken van de transitie naar het nieuwe pensioencontract en de mogelijke dekkingsgraadbescherming die daarbij gewenst kan zijn. Verschillende mogelijkheden zijn daarbij onderzocht op basis van stochastische scenarioanalyses. Het bestuur heeft gekozen voor een verhoging van de bescherming tegen renterisico tot 80%. De uitvoering is voltooid eind 2024 door een herstructurering van de renteswap portefeuille. Het normgewicht (47%) van de matching portefeuille als geheel, is gelijk gebleven. Jaarlijks wordt aan de hand van een strategische asset allocatie studie (SAA) gekeken of de gekozen beleggingsmix op korte termijn kan worden geoptimaliseerd, om een beter rendement te behalen gegeven de risicohouding en het strategische beleid van het fonds. De uitkomsten van deze studie worden gebruikt voor het bepalen van onze normportefeuille.. De uitkomsten van de eind 2024 uitgevoerde SAA-studie gaven geen aanleiding om wijzigingen in de normportefeuille voor 2025 aan te brengen.
Na de ALM-studie uit 2020 is gewerkt met tijdelijke normportefeuilles omdat de beoogde allocatie, 10%, naar niet-beursgenoteerd vastgoed enige tijd heeft gekost om volledig te funden. Bijna alle managers zijn inmiddels volledig gefund. De tijdelijk regeling die gehanteerd werd voor tijdelijke normportefeuille is hierdoor na vaststelling van de SAA in 2023 losgelaten. Het normgewicht is voor niet-beursgenoteerd vastgoed in de normportefeuille op de beoogde allocatie gezet.
In de volgende tabel is de normportefeuille 2025 opgenomen:
| Categorie | Strategisch gewicht | Minimum | Maximum |
|---|---|---|---|
| LDI-portefeuille | 41,6% | 32,6% | 50,6% |
| NL Woninghypotheken | 5,4% | 3,4% | 7,4% |
| Matchingportefeuille | 47,0% | 42,0% | 52,0% |
| Bedrijfsobligaties | 10,8% | 8,8% | 12,8% |
| High Yield obligaties | 5,0% | 4,0% | 6,0% |
| Aandelen Ontwikkelde Markten | 24,3% | 19,3% | 29,3% |
| Aandelen Opkomende Markten | 2,9% | 1,9% | 3,9% |
| Niet-beursgenoteerd, indirect vastgoed | 10,0% | 6,0% | 14,0% |
| Private Equity | 0,0% | 0,0% | 5,0% |
| Valuta overlay | 0,0% | -5,0% | 5,0% |
| Liquide Middelen | 0,0% | 0,0% | 5,0% |
| Returnportefeuille | 53,0% | 48,0% | 58,0% |
| Totaal | 100% |
De genoemde bandbreedtes bij de normportefeuille kunnen worden gebruikt voor het opvangen van marktfluctuaties. Herbalanceringsmomenten zijn vastgelegd in ons beleggingsbeleid en vinden minimaal jaarlijks plaats.
De beleggingscategorie Private Equity voldoet ook niet aan de doelstelling dat het strategisch gewicht van een beleggingscategorie minimaal 5% van de totale beleggingsportefeuille bedraagt. Wij hebben een aantal jaar geleden besloten dat deze beleggingscategorie niet in de portefeuille past. De belegging in de twee private equity-fondsen is aangewezen als een ‘legacy portefeuille’. De 2 private equity-fondsen bevinden zich momenteel in een uitkerende fase. De allocatie naar private equity wordt niet uitgebreid, ook worden de vrijkomende middelen niet herbelegd in deze categorie. De vrijkomende allocatie wordt volgens het herbalanceringsbeleid toegewezen aan de gehele beleggingsportefeuille.
5.6 Portefeuilleresultaten
Matchingportefeuille
De matchingportefeuille heeft als belangrijkste functie het volgen van de ontwikkeling van de pensioenverplichtingen, die fluctueert als gevolg van de renteontwikkeling. Dit zorgt voor een minder bewegelijke dekkingsgraad. Hiervoor worden zowel staatsobligaties als renteswaps aangehouden met looptijden die overeenkomen met looptijden van de verplichtingen. De beleggingscategorie Hypotheken maakt ook deel uit van de matchingportefeuille.
Wij hebben in overleg met sociale partners een kwalitatieve risicohouding bepaald. Een conclusie die uit deze risicohouding is getrokken, is dat de kans op grote kortingen beperkt moet worden. Kleine kortingen zijn acceptabel. Om invulling te geven aan deze conclusie dekken wij een relatief groot percentage van het nominale renterisico af (strategisch 59%) dat in de pensioenverplichtingen besloten ligt. Hierdoor is meer zekerheid (uitblijven van grote kortingen) ingebouwd, maar is de kans op een positief resultaat van de portefeuille ook enigszins beperkt.
Op de matchingportefeuille is een resultaat behaald van 2,63%. Het benchmarkresultaat, gerelateerd aan de rentefluctuatie in de verplichtingen, bedroeg 5,04%. Het verschil tussen de realisatie en de benchmark wordt grotendeels veroorzaakt door een deel van de renteafdekking plaatsvindt met staatsobligaties. Deze staatsobligaties wijken in resultaat af van het rente-effect op de voorziening. De technische oorzaak is het swapspreadrisico in de staatsobligaties waardoor deze altijd afwijken van de swapcurve.
Returnportefeuille
In de returnportefeuille - bedoeld voor extra rendement - zijn de volgende categorieën opgenomen: wereldwijde aandelen, aandelen opkomende markten, bedrijfsobligaties, high yield obligaties, vastgoed en private equity. Op jaarbasis behaalde de returnportefeuille, na het afdekken van het valutarisico, een resultaat van 12,70%. Het benchmarkresultaat noteerde een resultaat van 13,57%. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door High Yield portefeuille (Robeco). Deze is duurzaam ingericht en belegd gemiddeld in meer kredietwaardigere bedrijven dan de algemene benchmark. In goede jaren loopt het fonds achter op de benchmark en in mindere jaren is dit omgekeerd. Daarnaast was er een verschil in de resultaten op het vastgoed (Altera en CBRE). Naast het structurele effect door timingverschillen gebruiken deze fondsen geen leverage waardoor deze in een stijgende markt achterblijven.
De Private equity bevindt zich in een uitkerende fase. In 2024 hebben de private equity partijen gezamenlijk € 5,0 miljoen uitgekeerd.
Totaalrendement
Het totaalrendement in 2024 bedroeg 7,95%. Dit was lager dan het rendement van de benchmark (9,57%). Daling van de rente en de aanzienlijke stijging van de aandelenbeurzen hebben erin geresulteerd dat de portefeuille een positief rendement laat zien.
Werkelijk rendement versus benchmarkrendement
| Werkelijk | Benchmark | |
|---|---|---|
| Matchingportefeuille | 2,63% | 5,04% |
| LDI Mandaat | 2,19% | 5,22% |
| Hypotheken | 5,72% | 6,12% |
| Returnportefeuille | 14,47% | 15,36% |
| Aandelen Wereldwijd | 24,56% | 24,91% |
| Aandelen opkomende markten | 15,57% | 14,68% |
| Bedrijfsobligaties | 4,70% | 4,74% |
| High Yield | 11,98% | 14,51% |
| Indirect vastgoed | 2,57% | 5,28% |
| Private Equity | -19,48% | -14,27% |
| Totaal | 7,95% | 9,57% |
5.7 Z-score
Wij zijn gekwalificeerd als een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds en moeten jaarlijks een Z-score berekenen en een performancetoets uitvoeren. De Z-score is een maatstaf om de verhouding van de feitelijke beleggingsresultaten van een pensioenfonds ten opzichte van de door het fonds geselecteerde benchmarks (normrendementen) weer te geven.
De maatstaf voor de performancetoets, de gemiddelde Z-score over vijf jaar, is 0 of hoger. Onze Z-score in 2024 bedraagt -0,06. Het feitelijke rendement over 2024 was 7,97%. De benchmark behaalde een rendement van 8,05%. Om de performancetoets te bepalen worden de Z-scores van de afgelopen 5 jaar opgeteld en gedeeld door de wortel van 5 en verhoogd met een wettelijke correctie van 1,28. De score voor de gecorrigeerde performancetoets in 2024 was 0,42.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Feitelijk rendement | 7,97 | 11,54 |
| Normrendement | 8,05 | 11,38 |
| Z-score | -0,06 | 0,13 |
| Ongecorrigeerde performancetoets | -0,86 | -1,17 |
| Wettelijke minimumcorrectie | 1,28 | 1,28 |
| Gecorrigeerde performancetoets | 0,42 | 0,11 |
De Z-score is negatief door een lagere performance van de totale portefeuille. Deze lagere performance wordt naar twee effecten uitgesplitst, te weten het allocatie-effect en het selectie-effect. Het allocatie-effect is de afwijking tussen het feitelijke gewicht van de beleggingen en de strategische benchmarkgewichten. Door het gebruik van bandbreedtes en het niet continu herbalanceren kan de portefeuille iets afwijken. Het selectie-effect is de relatieve performance van de managers binnen de afzonderlijke beleggingscategorieën versus de Z-score benchmark.
5.8 Activiteiten in 2024
Verdere implementatie ESG-beleid
Wij hebben inmiddels ESG geïntegreerd binnen de wereldwijde aandelenportefeuille, LDI-portefeuille en binnen High Yield. Onderzocht is in hoeverre ESG-integratie praktisch vorm kan krijgen binnen bedrijfsobligaties. Hiervoor is in 2024 een manager search project opgestart dat in 2025 zal worden voltooid. De uitkomsten van dit project vormen de basis voor de best passende oplossing voor ons fonds.
Wij hebben gekozen voor een (groene) SFDR-classificatie volgens artikel 8 en opt in als bedoeld in artikel 4 SFDR. Wij publiceren ook een apart maatschappelijk verantwoord beleggen (MVB) jaarverslag.
ALM-studie FTK
In 2024 heeft het fonds twee ALM-studies gedaan. Een ALM studie onder de huidige FTK (“ALM FTK”)regels en een ALM-studie in het kader van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Over deze laatste ALM-studie is meer informatie te vinden in hoofdstuk 3. Uitgangspunt voor de ALM FTK is het beleggingsbeleid tot aan de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Wijzigingen worden alleen doorgevoerd wanneer gewijzigde omstandigheden hierom vragen of ter voorsortering op de overgang naar het nieuwe stelsel. In de ALM is niet gekeken naar de 15-jaartermijn. Voor deze ALM zijn vooral de uitkomsten voor de komende drie jaar richting overgang naar het nieuwe stelstel belangrijk. In de ALM zijn ook verkennende scenario’s van bescherming van de invaardekkingsgraad uitgewerkt.
Verhoging percentage renteafdekking
In de ALM-FTK zijn 8 varianten onderzocht in het kader van het beschermen van de minimale invaardekkingsgraad. Het renterisico wordt als grootste risico van de balans gezien. Een aantal van de onderzochte varianten is afgevallen omdat zij te weinig bescherming van het renterisico toevoegden en duur zijn. In december heeft het bestuur besloten de renteafdekking te verhogen naar 80%. Omdat de doelstelling van de dekkingsgraadbescherming een korte horizon heeft is deze verhoging per direct geïmplementeerd.
5.9 Risicohouding
Gezien het langetermijnkarakter van pensioen streven wij koopkrachtbehoud na. Dit kan plaatsvinden door het verlenen van (voorwaardelijke) verhogingen . Hiervoor hebben wij beleid vastgesteld. Wij stellen samen met sociale partners vast binnen welke risicogrenzen (percentages) het pensioenresultaat op de lange termijn moet uitkomen. Daarbij wordt de risicobereidheid van de deelnemers en pensioengerechtigden betrokken. In 2019 werd hier opnieuw onderzoek naar gedaan. De risicohouding bepaalt uiteindelijk in welke mate een pensioenfonds risico wil lopen bij de beleggingen. De wijze waarop dit verder wordt ingericht, is onderdeel van balansmanagement. De ALM-studie die in 2024 is uitgevoerd speelt hierbij een rol.
De vastgestelde risicogrenzen maken het mogelijk om op een vooraf vastgelegde en objectieve manier te beoordelen of het beleggingsrisico hoger of lager is dan toegestaan. Overschrijding van risicogrenzen is aanleiding voor een kwalitatieve discussie. Met name met sociale partners, rekening houdend met de situatie en de inzichten van dat moment. Dit kan leiden tot maatregelen, zoals het bijstellen van de pensioenpremie of -ambitie of ons beleid.
In overleg met sociale partners is deze risicohouding als volgt gedefinieerd:
- wens voor een stabiele maar toekomstbestendige premie;
- kans op grote verlagingen van de pensioenen beperken, kleine verlagingen zijn acceptabel;
- het realiseren van toeslagen, met op de lange termijn een toeslagambitie gelijk aan de prijsinflatie.
Met de komst van een nieuwe pensioenregeling hebben wij met sociale partners de pensioenambitie en premieniveau opnieuw bekeken. De basis hiervoor is het risico preferentie onderzoek (RPO) wat in 2022 is uitgevoerd.
5.10 Renteafdekking
Bij de bepaling van de technische voorzieningen wordt uitgegaan van een actuele rente conform de door DNB afgegeven rentetermijnstructuur (RTS). Dit betekent dat deze voorziening onderhevig is aan renteschommelingen. Een belangrijk onderdeel van balansmanagement is ervoor zorgen dat de mutaties in de technische voorzieningen, veroorzaakt door renteschommelingen, worden opgevangen. Hiermee wordt het renterisico gematigd. Om dit te bereiken wordt een deel van de beleggingen (met name renteproducten) op zodanige wijze belegd, dat bij een renteschommeling de beleggingen grotendeels eenzelfde beweging maken. Dit wordt renteafdekking (of rentehedge) genoemd. De vermogensbeheerder van de liability driven investing (LDI)-portefeuille heeft de opdracht een deel van de beleggingen op die manier te beleggen. Gedurende het overgrote deel van 2024 is het renterisico voor 59% afgedekt op basis van de marktrente. In december 2024 heeft het bestuur besloten de afdekking te verhogen naar 80% van de marktrente. Maandelijks monitoren we in welke mate deze maatregel effectief is. Het grootste deel van de renteafdekking wordt verzorgd door Cardano Risk Management B.V..